Marcel van Maele (1931 - 2009), auteur en plastisch kunstenaar, debuteert in 1956 met de dichtbundel ‘Soetja’.
Hij is medestichter en redactielid van ‘Labris’, het literaire tijdschrift van de zogenaamde zestigers. In 1966 krijgt hij voor de bundel ‘Zes nooduitgangen en één hartslag’ de Dirk Martensprijs en publiceert zijn romandebuut ‘Kraamanijs‘. Daarop volgen talrijke dichtbundels, drie romans en toneelwerk. Zijn literair werk heeft aanvankelijk een zeer experimenteel karakter, is uitgesproken rebels, vol zwarte humor en daverend van woordgeweld.

De eerder wanhopige ervaringen tijdens een werkbeurs-verblijf in Bulgarije monden uit in de uitgave van een S.O.S.-gedicht, door Van Maele veelbetekenend in een fles gestopt (‘Gebottelde gedichten‘, 1972).
In 1973 besluit hij tot het uitgeven van een bundel op 60 exemplaren, telkens in een blok polyester verpakt: ‘Vakkundig hermetisch: 21 introverte gedichten’. Deze bundel wordt aan het publiek voorgesteld, waarna van Maele het manuscript verbrandt.

Vanaf dan stelt hij regelmatig plastisch werk tentoon, waarbij hij het niemandsland tussen beeldende kunst en poëzie verkent.

Als dichter evolueert hij naar een meer open schriftuur o.a. ‘Muggen en liegen’ (1980), ‘Nu het geduld zijn hoge hoed verliest’ (1988) en ‘Rendez-vous’ (1995), door de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde bekroond met de August Beernaertprijs.
In 2001 verscheen de bloemlezing ‘Krassen in wat was’.

Het plastische werk van Marcel van Maele kan gelezen worden als een komma, als een leesteken of als een rustpunt in deze gemediatiseerde wereld. Het is een beeldend parcours dat stof genoeg biedt voor ongerijmde bespiegelingen, kunsthistorische bedenkingen en talloze projecties op het ‘wit’. (Luk Lambrecht, De Morgen, 24.06.1994)

Hij geeft bekende objecten een ander gezicht of een nieuwe symboliek door ze in een vreemde combinatie en context te plaatsen. Als we na meer dan tachtig tentoonstellingen toch tegen onze zin een etiket op zijn werk moeten plakken zal het dat van de concept-art zijn, niet toevallig een kunstvorm die weinig last heeft van beperkende regels. Van Maele gebruikt die vrijheid om met dadaïstische en surrealistische ingrediënten een ideeënkunst te creëren in de traditie van Marcel Duchamp, Marcel Broodthaers en Marcel Mariën. In zijn dichtbundel ‘Nu het geduld zijn hoge hoed verliest’ (1988) gebruikt hij trouwens een zin van Broodthaers als motto: “Ne dit pas que je ne l’ai pas dit”. Bij Broodthaers stond deze zin onder een opgevulde papegaai, voor van Maele kan hij mooi de essentie van zijn werk illustreren: de waakzame kunstenaar orakelt en waarschuwt en de bewoners van de kromme wereld doen of hun neus bloedt. (Roel Richelieu van Londerzele, “Diepzeezucht en wolkenkrans”, uitgave HAM, 1998)

Marcel van Maele beeldt de werkelijkheid niet af; hij maakt zich sterk om de verbeelding te verbeelden. Hij doet dat o.m. met wegwerpproducten, met boeken, met letters, met drukwerk, met voorwerpen die ons continu en omzeggens anoniem in handen vallen.
Wanneer wij de soms bizarre of groteske samenscholing van voorwerpen bekijken ervaren we dat de dichter Marcel van Maele niet enkel vrijblijvend werkt met gerecupereerde voorwerpen, in even hoge mate speelt hij met de taal, onderzoekt hij de betrekkingen tussen +woordentaal+ en +beeldentaal+, neemt hij het woord op in het repertoire van zijn visueel materiaal.

Weer in andere gevallen citeert, parafraseert of corrigeert hij met humor en tederheid het werk van collega’s; hij brengt wel eens een hommage aan een vriend of gooit een verre lijn uit in de kunstgeschiedenis. (Roger M.J. de Neef)

In het Elzenveld te Antwerpen toonde hij in 2002 een ruim overzicht van zijn plastisch oeuvre ‘Uitgelezen Objecten’.
In galerie De Zwarte Panter (Hoogstraat 70 te 2000 Antwerpen) waar Marcel van Maele sedert 1976 regelmatig exposeerde zijn het werk 'Vierluik' (2003) en de installatie ‘Entresol’ (2008) permanent te bezichtigen.

multiples

brugge 2014

contact